Ga naar inhoud

Principes voor het begeleiden van bewegingsspelen

1. Spelidee en spelontwikkeling:

  • Spelidee: Breng de spelidee duidelijk, maar beknopt over en laat ruimte voor zelfstandige ontdekking.
  • Spelontwikkeling: Geef het spel niet volledig voor; introduceer de spelregels geleidelijk. Alleen een spel dat je zelf hebt ontwikkeld, zorgt voor plezier.
  • Spelbegrip: Streef naar een snelle greep op de spelidee. Beperk het aantal spelregels tot het strikt noodzakelijke minimum.

2. Kader en organisatie:

  • Speelveld: Duidelijke speelveldgrenzen stimuleren de motivatie en voorkomen ruzies.
  • Teamvorming: Vorm teams niet door middel van verkiezingen.
  • Spelduur: Laat spelers genieten van het spel, maar blijf niet te lang bij één spel stilstaan.

3. Deelname en inclusie:

  • Deelname: Voorkom uitschakeling; alle leerlingen moeten actief aan het spel kunnen deelnemen.

4. Rol van de leerkracht en interactie:

  • Rol van de leerkracht: De leerkracht kan het spel verlevendigen door mee te spelen, maar moet niet als scheidsrechter optreden.
  • Mentale activering: Stimuleer de mentale activiteit van de spelers, moedig actieve deelname en creatieve medewerking aan.
  • Aanpassingsvermogen: Pas je aan de spelomstandigheden aan en wijzig eventueel de regels. Maak gebruik van variatiemogelijkheden.
  • Intensiteit: Streef naar een hoge mate van intensiteit. Geef spelers de mogelijkheid om zelfstandig te handelen.

5. Overbrengen van waarden en sociaal leren:

  • Orde en eerlijkheid: Eis ook bij bewegingsspelen orde en eerlijkheid.
  • Sociaal leren: Gebruik spellen om sociaal leren, samenwerking en communicatie te bevorderen. Grijp opvoedkundig in als eerlijkheid, partnerschap en gemeenschapszin verloren gaan en spelprestatie/competitiedrang de overhand krijgen.
  • Spelervaring: Breng de positieve spelervaring, vreugde en plezier over.

6. Kenmerken:

  • Spelkenmerken: Vrolijkheid, spanning en plezier zijn essentiële kenmerken van bewegingsspelen.